INLEIDING VASTE STOF FYSICA
Het natuurkundeboek dat voor me op mijn buro lag probeerde me iets over
de fenomenen in atoomroosters duidelijk te maken. Fononen, fotonen, elektronen,
hun quantummechanische golven in de ruimte en hun golfvectoren in de Fourierruimte,
veroorzakers van warmtecapiciteiten, energiebanden en geleiding of isolatie,
voor mij abstracte termen en formules. Net zo vaag en leeg als de voorpagina
van het boek dat in een witte balk aan de bovenkant in strakke letters vermeldde
dat dit de "sixth edition" van het boek "Introduction to Solid State Physics"
door "Charles Kittel" was, de rest was opgevuld met een egaal vlak blauw.
Zelfs de kleine moeite om een visueel aantrekkelijke grafiek of figuur uit
de inhoud van het boek op te zoeken en die te gebruiken was niet genomen.
Luiheid of een bewuste waarschuwing van de schrijver voor de abstractie van
de leerstof. Een abstractie die het glad en ongrijpbaar maakte, gedachten
van een ander zonder handvaten waarmee ik ze naar me toe kon trekken en ze
me eigen te maken.
Het hoofdstuk dat ik uit dit boek bezig was te bestuderen
ging over fononen, mechanische golven in atoomroosters. Ik begreep het niet
goed en vluchtte even van de leerstof door mezelf een kop thee uit de op
mijn buro staande thermoskan in te schenken. Liever had ik koffie gedronken,
maar dat lust ik niet. Dus had ik er voor gezorgd dat de thee die nu in mijn
kopje zat extra sterk was, om zo het opkikkerend effect van koffie te benaderen.
Na een paar slokjes van de thee die te sterk was om nog lekker te zijn begon
ik weer van voor af aan te lezen. Maar mijn onbegrip bleef, het betoog was
voor mij te abstract om het te begrijpen. Ik moest dus zelf het, voornamelijk
uit formules opgebouwde, verhaal omzetten in iets concreters om het te kunnen
vatten. Ik zette mijn bril af om beter te kunnen denken, zonder dat de poten
van mijn optisch hulpmiddel de bloedstroom naar mijn hersens afklemden.
Ik probeerde me een atoomrooster voor de geest te halen.
Een eenvoudige, de natuurkunde houdt zich voornamelijk bezig met eenvoudige
gevallen, de ingewikkelde kosten teveel werk enleveren weinig extra inzicht
op. Na enig gestaar met mijn ogen dicht zag ik het. Ronde witte bolletjes
hingen vrij in een zwarte ruimte, als sterren, maar niet zo chaotisch. De
witte bolletjes, zoals ik me de atomen voorstelde, hingen keurig netjes op
regelmatige afstand van elkaar, alsof elk atoom een hoekpunt van een onzichtbaar
kubusje was, en er oneindig veel van die kubusjes netjes op elkaar gestapeld
lagen. Al die atomen, zo wist ik nog van de middelbare school, waren verbonden
door onzichtbare krachten. Aantrekkende, die zorgden dat ze bij elkaar bleven,
afstotende die er voor zorgden dat niet alle atomen tegen elkaar op een
kluitje gaan zitten, zodat er ruimte tussen de atomen overblijft. In de
toestand van het atoomrooster zoals ik dat zag hielden deze krachten elkaar
in evenwicht en hing alles stil. Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als
dat evenwicht verstoord zou worden. En ik gaf het dichtsbijzijnde atoom een
zetje.
Het bewoog, gaf zijn beweging door aan de atomen
om hem heen, alsof al de atomen met veertjes aan elkaar verbonden waren.
Er ontstonden golven die zich van mij af bewogen, alsof ik een steen in
een vijver met een drie dimensionaal oppervlak had gegooid. De formules uit
het boek van dhr. Kittel kregen opeens zin, verloren hun abstractie, waren
opeens geen raadsel meer, maar een vereenvoudigde weergave van wat ik zag.
Ik maakte een berekening die me zou voorspellen wat er gebeurde als ik verschillende
atomen tegelijk een zet zou geven. Ik deed het en zag dat het klopte. In
mij begon dat heerlijke gevoel van overwinning te gloeien dat ik krijg als
ik een moeilijk onderwerp na veel ploeteren onder de knie heb. Weer maakte
ik een berekening die het gedrag van de atomen moest voorspellen, als ik
bepaalde atomen een zetje gaf. Weer klopte het. Maar deze keer was de beweging
van het atoomrooster zo mooi, dat ik de natuurkundige kant geheel uit
het oog verloor en alleen nog kon genieten van dit ballet in drie dimensies.
Ik probeerde nieuwe beginstuaties. Ik zweefde
van atoom naar ¬oom. Duwend en trekkend als een harpspeler bespeelde
ik het atoomrooster en creeerde visuele muziek. Ik was meer als een muzikant,
ik was ook een balletdanser met het atoomrooster als mijn instrument en
mijn dansvloer. Sneller en sneller ging ik, ik trok de atomen steeds verder
uit hun evenwichtspositie, naar een onontkombare climax toewerkend,
als een geluidloz ebolero. Toen alle atomen die ik kon zien in heftige bewegin
gwaren, van de orderlijke beginsituatie niets meer over was en de atomen
leken te bewegen alsof ze gasmolekulen waren, was mijn energie op en bleef
ik uitgeput hangen in de door mij veroorzaakte chaos.
Mijn moeheid gaf me de rust om weer echt te kijken en
ik liet mijn blik glijden over de langzaam verminderende bewegingen van
de voor mij zichtbare atomen, die hun energie geleidelijk afgaven aan verder
weg gelegen exemplaren. Opeens bewoog ik mijn hoofd met een instinktieve
ruk die, zonder dat je dat bewust wilt, gebeurt als je halfbewust via een
ooghoek iets afwijkends opvangt. Ik probeerde iets speciaals te zien aan
het blikveld dat me door mijn reflexen gebracht was. Ik staarde maar zag
niets dan trillende atomen. Identieker als tweelingen. Of toch niet? Ik werd
me er van bewust dat één atoom anders was. Het zag er uit als
de anderen, het trilde als de anderen, maar was toch anders. Zonder dat
ik wist waarom.
"Waarom staar je naar mij?", vroeg het door mij geobserveerde
atoom. " Iets viel me aan je op, iets waardoor je anders bent dan de andere
atomen, maar ik weet niet wat" , zei ik. "Onmogelijk, alle atomen zijn
gelijk in dit rooster" sprak het atoom. "Toch is er iets anders aan je", hield
ik vol. "Nee, nee, ik ben geen uitzondering, ik ben net als alle anderen,
ik ben normaal" deze woorden werden met zo'n nadruk geuit dat ik gesterkt
werd in mijn vermoedens: dit atoom verborg zijn anders zijn. Ik keek nog eens
goed en opeens zag ik het. Wat daarnet nog onder de grens van het bewust waarneembare
lag, was nu zichtbaar geworden: Dit atoom loopt achter. Het beweegt zich
langzamer dan de anderen. "Als je met daarna met rust laat en je mond
houdt zal zal ik het vertellen. Door zo te zeuren verstoor je mijn concentratie
en kan ik de rest niet meer bijhouden." Nadat het atoom wat gekalmeerd was
en zich weer bewoog zoals de natuurwetten van hem verlangden begon het zijn
verhaal:
"Atomen zijn met krachten krachten verbonden.
Zo ziet het er tenminste uit. Ik heb daar zo mijn twijfels over. Ik voel
ze namelijk niet." "Als je die krachten niet voelt hoe komt het dan dat je
je toch zo beweegt?", vroeg ik. "Ik doe alsof. In het begin dacht ik er niet
over na, ik bewoog me als de anderen, ik was me er niet van bewust dat er
een andere manier van bewegen zou kunnen bestaan. Later kreeg ik te horen
over die krachten en ik maakte mezelf wijs dat ik die krachten ook voelde.
Maar langzaam drong bij mij het besef door dat ik die krachten niet voelde.
Paniek, vertwijfeling, ik was geen echt atoom! Ik creeërde hoop bij
mezelf door te denken dat ik die krachten zou kunnen leren voelen. Als ik
me bleef gedragen als de anderen zou het vanzelf komen. Dan zou ik net als
de rest zelf geen moeite meer hoeven doen, maar net als de rest door de onzichtbare
hand van aantrekkende en afstotende krachten worden bewogen.
Dat is nu lang geleden. Nog steeds voel ik niets van
de krachten. Nog steeds kost het me veel moeite om het gedrag te vertonen
dat bij de rest moeiteloos lijkt te gaan. Daar heb ik dus nu zo mijn twijfels
over. De laatste tijd speel ik met het idee dat anderen ook niets van elkaar
voelen. Dat alle atomen elkaar voor de gek houden. Dat elk atoom denkt dat
het de enige is, de uitzondering en daarom maar doet alsof en zich beweegt
alsof het de krachten voelt. Een krankzinnige dans van blinde en doofstomme
dansers. Moet ik het zijn om te roepen dat de keizer geen kleren aan
heeft? Want wat als de anderen het toch wel voelen? Ik heb gewoon de moed
niet. Ooit hoop ik te sublimeren, weg uit dit rooster, een vrij gasatoom
te worden met ruimte om me heen. Maar sublimeren kost energie, energie
die ik moet gebruiken om zo te bewegen als de rest van het rooster, zodra
ik energie ga verzamelen val ik stil en door de mand. Mijn hoop is
dan ook erg klein."
Het atoom zweeg, het had alles gezegd. Ik kwam dichterbij.
Raakte het atoom aan. Wrong mezelf naarbinnen en versmolt er langzaam mee,
zodat ik kon voelen wat het atoom voelde. Ik voelde me niet anders als voorheen.
Een trein denderde voorbij over de spoorlijn onder mijn
raam. Ik besloot dat ik genoeg had gestudeerd en sloot mijn boek.
Jethro 1992
Terug naar HUNK verhalenindex
Als je links geen HUNK inhoudsopgave ziet klik dan hier