Trainrape

Op mijn middelbare school waren er groepjes. De grenzen tussen de groepjes waren vaag en vaak was er overlap, maar toch waren ze onderscheidbaar. De brave christelijken die naar catechisatie gingen, de hippen die de plaatselijke disco bezochten, de alternativo’s  die naar het jeugdhonk gingen, de voetballers, de rokers die in de pauze samenhokten en de niet door een bepaald thema gebonden vriendinnengroepjes. Ik was op de lagere school veel gepest en daardoor nog steeds erg onzeker en minder sociaal vaardig, ik hield van klassieke muziek en niet van domme discodreunen, lustte geen bier, rookte niet, had de conservatieve ideeën van mijn vader overgenomen en mijn ouders waren anders gelovig dan hervormd. Alhoewel ik wel wat oppervlakkige vrienden had viel ik hierdoor toch buiten al deze groepjes. Af en toe vond ik een meisje erg leuk, maar echt verliefd was ik nooit. Samen met het feit dat ik rond mijn zeventiende pas in de pubertijd begon te komen zorgde dit alles ervoor dat ik de middelbare school doorgekomen ben zonder ooit een vriendinnetje te hebben gehad of maar gezoend te zijn.
    In het examenjaar veranderde dingen. Ik schoot opeens de hoogte in en via de tussenstap van de arty muziek van de Nits begon ik langzaam ook popmuziek te waarderen. Op het laatste schooldagfeest stond, ik onder invloed van enkele glazen 7-up, opeens met plezier te dansen op de voorheen zo door mij gehate popmuziek. Dit was leuk! Stukken beter dan het ballroomdansen, waarvan de lessen volgens mijn ouders een onontbeerlijk onderdeel van mijn opvoeding vormden. Niks geen voorgebakken pasjes die het hoofd tussen muziek en beweging zette, maar gewoon je benen laten doen waar ze zin in hebben, zelfs uit de maat was opeens geen probleem meer. Mijn introductieweek van de universiteit was paradijs. Met mijn introductiegroepje een week lang elke avond naar een discofeest van een andere studentenvereniging. “Paradise by the dashboard light”, “relight my fire”, “stiekem met je gedanst” en bijna elke avond om twaalf uur  “can’t you feel a brand new day”.
    Op de lagere school had ik twee Johanna’s in de klas. Eén daarvan werd veel gepest, ze kwam uit een arbeidersgezin dus had de rest van de klas bedacht dat ze vlooien had: de kinderversie van persona non grata. Tot mijn grote schande moet ik bekennen dat ik, zelf slachtoffer van pesttereur hier net zo hard aan mee deed.  Op de middelbare school waren er weer twee Johanna's. En als ik geen beta-studie had gedaan met een verwaarloosbare hoeveelheid vrouwen zou ik in mijn studiejaar waarschijnlijk ook weer twee Johanna’s hebben gehad. Halverwege de introductie week stond één van de middelbare school Johanna’s opeens tegenover me te dansen. Het was de Johanna die bij het groepje alternativo’s hoorde. Ze ging iets sociologisch studeren en was in een ander introductiegroepje beland. In mijn herinnering droeg ze op school altijd drollenvangers, de alternatieve dracht van de jaren tachtig. Nu droeg ze gewoon een spijkerbroek terwijl ze met mij stond te dansen. Niet zomaar toevallig in mijn buurt, maar echt met MIJ te dansen. Ze zei iets over een onverwachte kant van mij en het klonk als een compliment.
    Ze vroeg of ik zin had om ook even wat frisse lucht te happen en enigszins sullig liep ik mee naar buiten. We zitstonden met onze billen op de vensterbank van een van die grote ramen van het monumentale verenigingspand. Voor ons het met fietsen bedekte hek dat voorkomen moest dat dronken studenten de kromme nieuwe gracht inliepen. Boven ons een heldere sterrenhemel.
    Ik was gespannen want ik vroeg me af of er van me verwacht werd dat ik het initiatief nam tot zoenen. Ik vond haar niet uitzonderlijk aantrekkelijk, maar zeker niet afstotend. Het leek me wel fijn om met haar te zoenen, maar meer om het maar eens gedaan te hebben dan dat zij nou iets bijzonders in me losmaakte. Omdat ik bovendien helemaal geen ervaring in dit soort zaken had liet het dus maar risicoloos aan haar over. Ze bood me een kauwgumpje aan en we praten wat over onderwerpen die blijkbaar niet belangrijk genoeg waren om me nu nog te herinneren. Daarna gingen we weer naar binnen en dansten verder.
    Ik weet nog steeds niet hoe zij die avond ervaren heeft, maar ze was me ieder geval aardig genoeg gaan vinden om me een paar weken later op haar verjaardagfeestje uit te nodigen. Het feestje vond plaats op de kamer die ze vlak na de introductie had gevonden. Haar kamer was in één van de halfhoge flats op het IBB, een tegen een vrachtspoorlijntje aan gelegen studentencomplex net buiten het centrum van Utrecht. Ik was aanwezig op de aankondigde begintijd en dus te vroeg. Ze liet me daarom maar het huis zien. Toen we in de huiskamer waren hoorde ik opeens een enorm geraas hoorde. Ik vroeg me hardop af of ze soms een erg oude wasmachine hadden. Maar voelde me enorm naïef toen me verteld werd dat het een voorbijrijdende vrachttrein was. Daarna kwamen de andere genodigden. Ik verwachtte die avond de hele alternatieve incrowd van de middelbare school te zien, maar er kwamen alleen wat studiegenoten van Johanna.
    Waarschijnlijk omdat ik nog steeds thuis woonde verwaterde na het feestje het contact. Een paar jaar kwam ik haar weer vaak tegen. Ik had me eindelijk van het ouderlijk huis losgescheurd en betrok een kamer op het IBB. Het hernieuwde contact bestond uit hier en daar een zwaai en “goh, hoe ver ben jij nou met je studie”.
    Mijn kamer was in de flat tegenover die van Johanna en lag direct aan het spoor. Het geluid was hier veel sterker dan dat wat ik jaren eerder voor een wasmachine had aangehoord. Maar de treinen kwamen niet heel vaak voorbij en het wende snel. Eén keer heeft de trein zelfs een moment van schoonheid gecreëerd dat nog steeds in mijn geheugen gegrift staat. Ik had net de lp “Hat” van de Nits opgezet en zat aan mijn bureau onder het genot van een vers kopje thee te studeren aan een vak dat ik leuk vond. Door boombladeren gefilterd avondlicht gaf een gouden glans aan mijn witte muren. En buiten remde een lange met grind beladen vrachtrein, perfect samenvallend met de remmende trein in het nummer “the train” die binnen uit mijn boxen klonk. Sindsdien is “the train”  één van mijn favoriete Nits-nummers. Ik neurie of zing het vaak zachtjes als ik denk dat ik alleen ben.
    Een eerste kus, een eerste keer sex,  een eerste huwelijk en een relatieloze periode later liep ik op Lowlands weer een Johanna tegen het lijf. Dit keer geen twijfels of voorbehouden, maar pats boem kledder radicaal oncontroleerbaar verliefd. In twee maanden vol passie was  sinds 1 dag of 2” van Doe Maar niet uit mijn hoofd te branden, daarna was het voorbij. Ik stortte in, krabbelde moeizaam weer overeind en verhuisde voor mijn werk naar een vreemde stad. Daar zat ik op een avond me een tikje eenzaam voelend wat met het microfoontje van mijn computer te pielen. Bijna automatisch begon ik  “the train” te zingen, nam dat op en speelde het weer af om te horen hoe ik het er vanaf bracht.
    Maar ja, zonder muzikale begeleiding is het nummer wat kaal en mijn stem is verre van geschoold, dus in plaats van een mooie versie na te streven speelde ermee, zong het met gekke stemmetjes, voegde tekst toe, tot ik uiteindelijk een totale verkrachting van het oorspronkelijke nummer had. Toen ik met de laatste versie bezig was kwamen de laatste brokken Johanna ludduvudduh naar boven en zwolg ik in zelfmedelijden. Daardoor werd alle subtiele melancholie in het nummer hardhandig tot een ranzige depressiviteit geslagen en elke open vraag met modder en stront opgevuld. Het resultaat is zo over-de-top dat  ik na het opnemen acuut weer vrolijk was En ik mezelf nog steeds uit een dipje kan helpen door mijn eigen versie weer af te luisteren.
    Mijn stem stem past eigenlijk ook niet goed bij deze “trainrape”, daar heb ik te weinig voor gerookt. Huub van der Lubbe of Tom Waits zouden het beter kunnen. Maar genoeg geluld, oordeel zelf maar…..

Jethro 2003




Terug naar HUNK verhalenindex
Als je links geen HUNK inhoudsopgave ziet klik dan hier