Ik reis door een wereld
waar ik geen deel van uit maak. Ik zie koeien voorbijflitsen, maar ik kan
ze niet aanraken. Ik zie mensen, ik kan naar ze zwaaien, maar ik kan niet
met ze praten. Is er een feest in een dorp dat ik doorkruis, dan kan ik niet
meefeesten, maar me alleen verheugen over hun plezier. Als er een kind in
het water ligt, kan ik het niet redden. Ik kan alleen vanuit een ooghoek
zien hoe het al spartelend verdrinkt.
Want
ik ben in een andere wereld. Een wereld die alleen fysiek met de wereld
daarbuiten verbonden is. Pas als die fysika, door een draadbreuk of ander
mechanisch ongemak, me dwingt zal ik mijn wereld van rechte rode lijnen
op de kaart van een rechthoekig en geel Nederland verlaten. En ik zal dan
zien wie er wonen in de zwarte dwarsstreepjes op de rode lijnen op de gele
kaart. En ik zal het grind en de bielzen onder mijn voeten voelen die mijn
wereld dragen als met mijn wereld door die andere beweeg. Maar dan nog zal
ik me niet met de wezens van buiten mijn raam verbinden. Want ik moet en
wil terug naar mijn wereld van rode kunstleren banken, kleine hangende
tafeltjes en grote ramen, en verder gaan.
Ooit
zal ik deze wereld moeten verlaten en deel uitmaken van die andere. Maar
dan zal dat op een plaats van mijn keuze zijn. En mijn verblijf zal langer
van duur zijn. Toch weet ik dat ik ook dan weer weg zal gaan, en plaats
zal nemen op het rode kunstleer.
Kortom
ik zit in de trein naar Groningen. Op weg.
Jethro